• De mandenmaker, de soldaat, zijn zoon en vrienden voor het leven

    Het is in de Peel, 11 mei 1940. Duitse soldaten zijn het land binnengevallen en de Peel-Raam linie bezwijkt al snel. Boerenfamilies hebben een evacuatie-adres gekregen in naburige dorpen.

    De Mortelse familie Kuipers vond onderdak in Beek en Donk. Zoals zovelen hadden ze de verordeningen voor evacuatie niet erg serieus genomen en hadden niet eens kennisgemaakt met hun gastfamilie. In het boek “Gemert bezet – Gemert bevrijd” tekende auteur Anny van de Kimmenade bij een interview met mijn vader al op hoe hij met een broer en een zus ternauwernood aan een gijzeling door de Duitsers ontkwam.

    Nederlandse genie-soldaten (detachement Frets) waren ter overnachting in het kasteel van Gemert getrokken en de Duitsers hadden de bevolking als menselijk schild op het Borretplein voor het kasteel verzameld.

    Mijn vader Marinus (toen 15 jaar) met broer Harrie en zus Grada wist (beroofd van hun fietsen) via een steegje naar Beek en Donk te vluchten. Over brokstukken van de opgeblazen brug in Beek en Donk wisten ze toch naar hun evacuatieadres te komen. Dat adres was bij de mandenmaker Kweens ergens op de Donkersvoort tussen Beek en Donk en Lieshout. Kort na hen waren de Duitsers ook over de brug getrokken en er werd hier en daar nog geschoten tussen terugtrekkende Nederlandse soldaten en de Duitse doodskoppentroepen.

    Drie soldaten die eerder uit het kasteel van Gemert waren gevlucht werden door de Duitsers achtervolgd. De Hollanders gingen het huis binnen waar mijn vader en zijn familie ondertussen in grote angst in de kelder verbleven. Er werd flink op het huis geschoten, jaren later waren de kogelgaten nog altijd te zien. De Duitsers gooiden zelfs een handgranaat vlakbij het kelderraam waarbij door stom toeval niemand gewond raakte.

    De Hollanders trokken snel hun uniform uit in de hoop dat de Duitsers hen voor boeren aan zouden zien. Dat ze daar nooit in zouden trappen hadden de soldaten gauw genoeg in de gaten en omdat één van hen een gezin had, werd besloten dat de andere twee zich zouden overgeven aan de Duitsers, terwijl de derde in de kelder zou blijven. In de kelder lagen aardappelen en de soldaat ging er tussen liggen, de familie ging bovenop hem zitten.

    Mijn vader heeft nooit begrepen waarom de Duitsers hen niet hebben gevonden want ze doorzochten heel het huis, behalve de kelder.

    Arie van Vliet, zo heette de soldaat die uit Rotterdam kwam, ging mee naar de Mortelse Peel toen de familie met Pinksteren terugging naar huis. Om niet op te vallen zou hij het paard leiden, want verhuizen ging met paard en kar in die tijd. Het was een aandoenlijk gezicht hoe de stadse Arie probeerde het paard in toom te houden maar het lukte.

    Toen Arie een paar dagen later hoorde dat Rotterdam zwaar gebombardeerd was, had hij geen rust meer. Hij moest en zou naar huis. Bang voor wat hij zou aantreffen vertrok hij meteen.

    Een paar jaar later, toen de hongerwinter uitbrak, stuurde Arie zijn zoontje Jan naar de Peel. In de stad was bijna geen eten meer te krijgen en hij hoopte dat zijn zoon bij de familie die hem ooit zo geholpen had, betere tijden zou meemaken. Het zoontje kwam de winter goed door en leerde in de Peel fietsen (op een fiets met houten banden). Later werd hij zelfs wielrenner. (Ik heb nooit kunnen achterhalen of Arie van Vliet zelf de bekende wielrenner van die tijd was, die kwam echter uit Woerden en dat komt niet overeen met onze Arie die uit Rotterdam kwam).

    Toen de oorlog al lang voorbij was kwam de Rotterdamse familie nog regelmatig langs in de Peel. Ik kan me als klein jongetje nog wel iets herinneren van die mensen die zo “raar”, ik meende deftig, praatten. Ook na het overlijden van mijn grootouders kwam er tegen Kerst nog lang een kaartje.

    Toen hield het plotseling op…

     

    [Op de foto onder: de familie Kuipers in september 1949: vlnr Wim, Grada, Harrie, vader Toon, moeder Dora, Annie, Marinus en Maria.]

  • Fiets tegen de muur

    Mijn vader, Marinus Kuipers, woonde in de tijd dat de oorlog uitbrak als bijna zestienjarige jongen in de Mortelse Peel. Hij woonde daar in een klein boerderijtje en mijn opa (bijgenaamd Toon de Looi, oftewel: Toon, zoon van Lodewikus) verdiende de kost met het houden van wat vee.

    De oudste kinderen, waaronder mijn vader, werden vanaf de crisisjaren voor de oorlog ingezet voor het steken van turf en het kappen van bomen in de bossen.

    Toen de oorlog in mei 1940 steeds dichterbij leek te komen werden ze geëvacueerd naar een woning in Beek en Donk.
    Het ging allemaal nogal plotseling. Daarom werden de oudste kinderen eropuit gestuurd om nog wat spullen uit het huis in De Mortel te halen en om andere, waardevolle spullen zoals wat kandelaars en dergelijke in de tuin te begraven.

    Toen de oorlog wel erg dichtbij leek te komen, keerden ze toch maar terug richting Beek en Donk. Op de Heuvel in Gemert aangekomen zagen ze tot hun schrik een groepje Duitse soldaten op hen afkomen. Omdat ze geen van allen ook maar één woordje Duits verstonden begrepen ze niet wat de Duitsers hen toeschreeuwden.

    Met gevaarlijke geweren op hen gericht verstonden ze iets als “farraat, moer”. Hevig geschrokken begrepen ze eruit, dat ze als verraders tegen de muur moesten gaan staan.
    Met de handen omhoog deden ze dat en ze dachten dat hun laatste uur geslagen had. Tot hun opluchting bleek echter, dat ze hun “Fahrrad” (fiets) tegen de muur moesten zetten. De Duitsers pikten de fietsen in en geboden mijn vader, zijn broer Harrie en zus Grada naar het Borretplein (nu Ridderplein) te lopen. De kinderen snapten wel, dat daar iets niet pluis was en omdat ze de weg goed kenden besloten ze, toen ze uit het zicht van de Duitsers waren, via een paadje toch richting Beek en Donk te gaan.

    Later hoorden ze dat enkele honderden inwoners van Gemert naar het plein waren gestuurd om daar als menselijk schild, met de Duitsers achter hen, voor het kasteel te gaan staan zodat de Nederlandse genie-soldaten die in het kasteel waren niet durfden te schieten.

    Eén van die gijzelaars was mijn moeder toen nog maar acht jaar oud. Ze heeft grote angsten doorstaan net zoals alle andere mensen die op het plein stonden. Er vielen enkele dodelijke slachtoffers waaronder een jongetje dat door een verdwaalde kogel door een nederlandse soldaat werd geraakt en een geestelijk gehandicapte man die de Paus werd genoemd. Deze "Paus" weigerde in al zijn onschuld mee te werken en werd ter plaatse doodgeschoten. Ook een duitse soldaat en een nederlandse sergeant werden dodelijk getroffen.

    Mijn vader was een stukje voor het kasteel met zijn broer en zus weggeglipt en had hier geen weet van. Toen ze verder ongehinderd, maar wel te voet, in Beek en Donk aankwamen werd de brug vlak voor hun neus door Nederlandse genie-soldaten opgeblazen. Over stukken hout van de kapotte brug zijn ze toch over het kanaal kunnen komen en naar hun nieuwe adres gegaan.

    Ook daar beleefde hij een uurtje later zeer angstige momenten, daarover in een ander verhaal meer.

    Later bleek dat de Duitsers ook in hun huis in de Mortel waren geweest en daar de kostbare accordeon van mijn opa hadden meegenomen. Een boer die wat verderop woonde en niet was gevlucht had een paar Duitsers spelend op de accordeon voorbij zien komen. Hij herkende de accordeon meteen, maar durfde natuurlijk niets te zeggen.
    Lang na de oorlog heeft mijn vader nog gezegd wanneer hij een Duitser op TV zag die accordeon speelde: “Hee, geef onze accordeon eens terug en mijn fiets ook maar meteen”.
    Dit is één van de avonturen die mijn vader tijdens de oorlog heeft meegemaakt, later was hij ook onderduiker, daarover weer een andere keer meer.

    Tekening met de vermoedelijke opstelling van de Duitse kanonnen die het kasteel Gemert in brand schoten