De mandenmaker, de soldaat, zijn zoon en vrienden voor het leven

Categorie: Bijzondere verhalen 2020 Gepubliceerd: zaterdag 04 januari 2020 Geschreven door Kuiko
(Leestijd: 2 - 4 minuten)

Het is in de Peel, 11 mei 1940. Duitse soldaten zijn het land binnengevallen en de Peel-Raam linie bezwijkt al snel. Boerenfamilies hebben een evacuatie-adres gekregen in naburige dorpen.

De Mortelse familie Kuipers vond onderdak in Beek en Donk. Zoals zovelen hadden ze de verordeningen voor evacuatie niet erg serieus genomen en hadden niet eens kennisgemaakt met hun gastfamilie. In het boek “Gemert bezet – Gemert bevrijd” tekende auteur Anny van de Kimmenade bij een interview met mijn vader al op hoe hij met een broer en een zus ternauwernood aan een gijzeling door de Duitsers ontkwam.

Nederlandse genie-soldaten (detachement Frets) waren ter overnachting in het kasteel van Gemert getrokken en de Duitsers hadden de bevolking als menselijk schild op het Borretplein voor het kasteel verzameld.

Mijn vader Marinus (toen 15 jaar) met broer Harrie en zus Grada wist (beroofd van hun fietsen) via een steegje naar Beek en Donk te vluchten. Over brokstukken van de opgeblazen brug in Beek en Donk wisten ze toch naar hun evacuatieadres te komen. Dat adres was bij de mandenmaker Kweens ergens op de Donkersvoort tussen Beek en Donk en Lieshout. Kort na hen waren de Duitsers ook over de brug getrokken en er werd hier en daar nog geschoten tussen terugtrekkende Nederlandse soldaten en de Duitse doodskoppentroepen.

Drie soldaten die eerder uit het kasteel van Gemert waren gevlucht werden door de Duitsers achtervolgd. De Hollanders gingen het huis binnen waar mijn vader en zijn familie ondertussen in grote angst in de kelder verbleven. Er werd flink op het huis geschoten, jaren later waren de kogelgaten nog altijd te zien. De Duitsers gooiden zelfs een handgranaat vlakbij het kelderraam waarbij door stom toeval niemand gewond raakte.

De Hollanders trokken snel hun uniform uit in de hoop dat de Duitsers hen voor boeren aan zouden zien. Dat ze daar nooit in zouden trappen hadden de soldaten gauw genoeg in de gaten en omdat één van hen een gezin had, werd besloten dat de andere twee zich zouden overgeven aan de Duitsers, terwijl de derde in de kelder zou blijven. In de kelder lagen aardappelen en de soldaat ging er tussen liggen, de familie ging bovenop hem zitten.

Mijn vader heeft nooit begrepen waarom de Duitsers hen niet hebben gevonden want ze doorzochten heel het huis, behalve de kelder.

Arie van Vliet, zo heette de soldaat die uit Rotterdam kwam, ging mee naar de Mortelse Peel toen de familie met Pinksteren terugging naar huis. Om niet op te vallen zou hij het paard leiden, want verhuizen ging met paard en kar in die tijd. Het was een aandoenlijk gezicht hoe de stadse Arie probeerde het paard in toom te houden maar het lukte.

Toen Arie een paar dagen later hoorde dat Rotterdam zwaar gebombardeerd was, had hij geen rust meer. Hij moest en zou naar huis. Bang voor wat hij zou aantreffen vertrok hij meteen.

Een paar jaar later, toen de hongerwinter uitbrak, stuurde Arie zijn zoontje Jan naar de Peel. In de stad was bijna geen eten meer te krijgen en hij hoopte dat zijn zoon bij de familie die hem ooit zo geholpen had, betere tijden zou meemaken. Het zoontje kwam de winter goed door en leerde in de Peel fietsen (op een fiets met houten banden). Later werd hij zelfs wielrenner. (Ik heb nooit kunnen achterhalen of Arie van Vliet zelf de bekende wielrenner van die tijd was, die kwam echter uit Woerden en dat komt niet overeen met onze Arie die uit Rotterdam kwam).

Toen de oorlog al lang voorbij was kwam de Rotterdamse familie nog regelmatig langs in de Peel. Ik kan me als klein jongetje nog wel iets herinneren van die mensen die zo “raar”, ik meende deftig, praatten. Ook na het overlijden van mijn grootouders kwam er tegen Kerst nog lang een kaartje.

Toen hield het plotseling op…

 

[Op de foto onder: de familie Kuipers in september 1949: vlnr Wim, Grada, Harrie, vader Toon, moeder Dora, Annie, Marinus en Maria.]

Share
Hits: 166